Begin deze maand verscheen onderzoek van reichelt elektronik en OnePoll waaruit blijkt dat 35% van de Nederlandse industrie met cobots werkt en dat 37% binnen twee jaar wil investeren in deze flexibele robotarmen. Daarmee staan cobots bovenaan de lijst van geplande robotica-investeringen, gevolgd door mobiele robots en stationaire robots. Het beeld lijkt te kloppen: de Nederlandse maakindustrie automatiseert, en de drempel om met robotica te beginnen is lager dan ooit.
Tegelijkertijd publiceerde ING in februari 2026 een sectoranalyse met een ongemakkelijk cijfer. Slechts één op de vijf Nederlandse producenten maakt actief gebruik van AI, en de reële waarde van het industriële software-kapitaal is in vijf jaar met 7,5% gedaald, terwijl Nederland breed met 8,5% groeide. Twee onderzoeken, één patroon: we kopen graag hardware. Software blijft liggen.
De vergelijking die schuurt
Het pijnlijkste cijfer komt niet uit Nederland zelf, maar uit de buurlanden. In België en Denemarken gebruikt bijna 40% van de maakbedrijven AI; in Nederland blijft de teller op 29% steken. Dezelfde type maakindustrie, vergelijkbare schaal, vergelijkbare uitdagingen rond personeelstekort en concurrentiedruk — andere keuzes. ING noemt het ronduit een achterstand bij de Europese koplopers.
Wat verklaart dat verschil? Niet techniek, niet geld. Het verschil zit in wat we durven kopen. Een cobot kun je aanwijzen op de werkvloer. Hij staat er, hij beweegt, hij vervangt zichtbaar werk. Software is onzichtbaar, en investeringen volgen wat tastbaar is. Dat is begrijpelijk, maar het kost productiviteit, academisch onderzoek dat ING aanhaalt laat zien dat AI-implementatie de jaarlijkse productiviteitsgroei per werknemer met tot 3 procentpunten kan verhogen.
Wat een cobot eigenlijk is
Hier wordt het interessant. Een cobot is geen machine. Het is een sensor met armen. Elke beweging die hij maakt, levert data op: cyclustijd, koppel, versnelling, afwijking, energieverbruik. Wie een cobot installeert zonder iets met die datastroom te doen, koopt de helft van wat hij betaalt. De handeling is geautomatiseerd, maar de kennis die de machine genereert blijft op de plank liggen.
Daar zit de logische volgende stap: predictive maintenance op de cobot zelf, anomaly detection op het proces, en proces-leren over werkstukken heen. Geen extra hardware nodig. Geen miljoenenproject. De data is er al, alleen niet aangesloten.
Het budget is niet meer het excuus
Voor wie nog denkt dat AI iets is voor Shell en ASML: de gemiddelde AI-investering bij Nederlandse MKB-bedrijven ligt rond de €35.000, met een gemiddelde terugverdientijd van elf maanden. Dat is minder dan een halve cobot. De drempel is geen geld meer, en geen technologie. De drempel is dat we niet weten waar te beginnen en dat we ondertussen wel doorgaan met investeren in wat we kennen.
Ik zie het in de praktijk regelmatig. Bedrijven met een nieuwe cobot, een vers WMS, een ERP-traject achter de rug — en geen idee wat ze met de data van die systemen kunnen doen. De infrastructuur staat. Het stuk dat de infrastructuur slim maakt, ontbreekt.
De vraag voor 2026
De Nederlandse industrie staat niet stil. 79% gebruikt inmiddels een vorm van robotica. Maar het ING-rapport laat zien dat we deze investeringen niet aanvullen met de software die ze rendabel maakt. Cobots optimaliseren spieren. AI automatiseert oordeelsvermogen. Het eerste zonder het tweede is een halve transformatie.
Als je in robotica investeert, is de vraag niet of je ook in software moet investeren. De vraag is waarom je dat nog niet hebt gedaan.
Bronnen
- reichelt elektronik & OnePoll, “Cobots steeds populairder in Nederlandse industrie”, april 2026 — via Maakindustrie.nl
- ING Sector Banking, “Nederlandse Industrie laat veel AI-kansen liggen”, februari 2026 — via industrievandaag.nl en accountant.nl
- Searchlab, “AI in Nederland Statistieken 2026” — op basis van CBS, McKinsey en NL AI Coalitie
